» Beginpagina
        » Wie is Sint?
        » Liedjes
        » Verhalen
        » Plaatjes
        » Kleurplaten
        » Recepten
        » Links
        » Gastenboek
        » Contact



sinterklaas www.sinterklaasisjarig.nl
sinterklaas





Verhalen

Sinterklaas is in het land!

Sebastiaan is vreselijk blij en ook een beetje zenuwachtig. Vandaag komt Sinterklaas in de stad! Met mamma en zijn zusje Annemarijn gaat hij naar de optocht kijken. Het is koud en het wachten duurt lang. Eindelijk komt de Sint er aan op zijn schimmel. Voorop loopt een muziekband die sinterklaasliedjes speelt. De Pieten duikelen en buitelen en delen aan alle kinderen pepernoten uit. Annemarijn en Sebastiaan krijgen een handvol. "Zijn jullie lief?" vraagt een Zwarte Piet. "Eh,eh...?" zegt Sebastiaan. Want soms is hij weleens stout: dan eet hij zijn boterham niet op of dan maakt hij ruzie met Annemarijn. "Ja hoor," zegt mamma, "ik heb twee hele lieve kinderen!" "Gelukkig," zegt Zwarte Piet, "maar als ze een beetje stout zijn, vind ik het niet erg hoor. Ik hou wel van ondeugende kinderen!" "Ja?" zegt Sebastiaan opgelucht. Natuurlijk," zegt Piet. "Je moet niet denken dat ik altijd zo braaf en gehoorzaam ben!" Zwarte Piet lacht ondeugend en dan rent hij al dansend en buitelend verder.

Domme Piet

Ieder jaar neemt Sinterklaas uit Spanje nieuwe Zwarte Pieten mee en die moeten nog veel leren! Ze leren hoe ze pepernoten moeten bakken en hoe ze de cadeautjes in moeten pakken. Als ze in ons land zijn, leren ze strooien en klauteren op de daken om alle cadeautjes door de schoorsteen te gooien. En klein Zwart Pietje - Pidro - is dit jaar ook voor het eerst mee naar ons land. Hij doet goed zijn best. Hij klimt over de daken zonder lawaai te maken en hij strooit pepernoten als de kinderen sinterklaasliedjes zingen. Maar dat Zwarte Pietje doet iets wat Sinterklaas hem niet geleerd heeft... Iedere keer als hij pepernoten strooit, neemt hij zelf ook een handje. 's Avonds heeft hij vreselijke buikpijn. "Domme, domme Pidro," zegt de Sint, "je hebt pepernoten gesnoept!" "Ja Sinterklaas," zegt Pidro, "ik wist niet dat dat niet mocht!" "Natuurlijk mag dat wel!" zegt Sinterklaas. "Alleen moet je er nooit teveel van snoepen, want daar krijgen kinderen n Zwarte Pieten buikpijn van!"

Feest in de groep

Alle kinderen maken slingers en feestmutsen. Dinsdag komt Sinterklaas in de groep en dan moet het er feestelijk uitzien. De juf maakt een tekening op het bord het Wilma en Cindy versieren de stoel waar Sinterklaas op zal zitten. De juf leert hen een nieuw lied. Ze kunnen het tweestemmig zingen. Dan klinkt het heel mooi. Af en toe gaat het niet goed. Dan vergeet de helft van de klas op tijd in te vallen en dan klinkt het niet zo mooi. "Dat komt van de zenuwen," zegt de juf. "Als het vandaag misgaat, lukt het morgen juist heel goed!" Gelukkig maar, want als ze het lied echt voor de Sint moeten zingen, mag er natuurlijk niets fout gaan!

Waar is het boek van Sinterklaas?

In het grote kasteel van Sinterklaas is alles in rep en roer. Er is wat ergs gebeurd! Het boek van Sinterklaas is weg! Zomaar verdwenen. "Alle adressen van die lieve kinderen kwijt en alle verlanglijstjes!" zucht Sinterklaas. "Dat is me nou in honderd jaar nog nooit overkomen! Het hele kasteel wordt op zijn kop gezet. Alle Zwarte Pieten helpen zoeken. Ze vinden niks en ze kijken somber."Laten we maar naar bed gaan." zegt Sinterklaas gapend. Het is al laat en morgen zoeken we verder." Sinterklaas gaat naar bed en trekt zijn nachtpon aan. Hij wil gaan liggen en dan voelt hij iets hards onder zijn kussen. "Wat krijgen we nu," mompelt Sinterklaas verbaasd. Hij tilt het kussen op en wat ligt daar... Het boek, het grote boek van de Sint! "Dat is waar ook," zegt de Sint."Gisteravond heb ik alle verlanglijstjes uit mijn hoofd geleerd en toen ik moe werd, heb ik het boek onder mijn kussen gelegd. Gelukkig dat het weer terecht is, want zonder mijn grote boek zou ik vast alle kinderen de verkeerde cadeautjes geven!" En dan valt de Sint tevreden in slaap.

De roe voor Joost en Arthur

Joost en Arthur mogen hun schoenen zetten. Ze zingen 's avonds voor ze gaan slapen sinterklaasliedjes. Ze leggen een grote wortel voor het paard klaar. 's Nachts dromen ze van de cadeautjes die ze zullen krijgen.  's Morgens zijn ze al heel vroeg wakker. Ze kijken om een hoekje van de kamerdeur of er iets in hun schoen zit. Ze kijken en zien... "O," zegt Joost, "we hebben de roe gekregen! Zo stout zijn we toch niet geweest," zegt Arthur. Voorzichtig lopen ze naar hun schoen. Ze hebben echt de roe in hun schoen gekregen, maar dan zien ze dat er gelukkig allemaal lekkere snoepdingetjes aan vastgeplakt zijn. Een doosje rozijntjes, een zakje pepernoten en een chocoladesinterklaasje. "Sinterklaas wilde ons zeker foppen," zegt Arthur. "Een beetje plagen, denk ik," zegt mamma die net binnenkomt. "Want al die verhalen over de roe, die zou ik maar niet geloven!"

uit: "Voor elke dag, een verhaaltje, een versje of een gedichtje" door Ellen Tijsinger

Het schoentje van Toets

Het was nacht. Iedereen in de stad sliep. De kinderen n de grote mensen. Ook in ht grote, donkere bos, dat vlak in de buurt van de stad lag, sliep iedereen. De feen, de heksen, de dieren en alle kabouters. Nee, niet lle kabouters, want Toets was wakker. Hij kon niet slapen, want hij wilde iets gaan doen. Het was de nacht van vier op vijf december, dus Sinterklaasnacht voor de mensen. Ieder mensenkind zette dan zijn schoen. En 's nachts deed Sinterklaas daar een cadeau in. Met nog veel lekkers erbij. Kijk, dat wilde Toets nu ook gaan doen. Ieder jaar was hij dat van plan geweest, maar telkens durfde hij niet. Maar deze nacht durfde hij het wl. "Ik loop naar de stad," dacht hij, "en dan zet ik m'n schoen midden op het marktplein. Daar zal de Sint heus wel voorbij komen. En dan doet hij vast wel een verrassing in m'n schoen. Want ik heb gehoord en in de mensenboeken gelezen, dat de Sint een heel lieve, oude heer is." Stil als een muis sloop hij de zoldertrap in het kabouterhuis af.

Zijn vader en moeder hoorden hem niet. Die sliepen rustig door, ook toen hij de voordeur achter zich dichttrok. 't Was buiten kouder dan hij dacht. Toets had een dikke jekker aan. Daar kon de kou niet doorkomen. Zijn neus en oren tintelden wel van de felle vrieskou. Maar daar wist Toets raad op. Hij trok zijn vuurrode puntmuts tot diep over z'n oren en zette de kraag van z'n jekker hoog op. Dat hielp! Hij stapte flink door. Dat hielp nog beter. Daar kreeg hij het zelfs warm van. Toen Toets buiten het bos kwam, zag hij dat het daar veel lichter was. De maan scheen helder over de velden en de sterren stonden als diamanten te twinkelen aan een donkerblauwe hemel. "'t Is echt een fijne nacht voor Sint Nicolaas," dacht Toets onder het lopen. "Wat jammer toch, dat er bij ons, kabouters, niet zo'n goede Sint is..." Van het bos naar de stad was nog een heel eind lopen voor zo'n klein kabouterjoch. Maar toen de torenklok 1 uur sloeg stond hij op het grote marktplein. Hij trok n van zijn schoenen uit en zette die zomaar ergens op de straatstenen. Uit de zak van zijn jekker haalde hij een wortel. Die legde hij in zijn schoen. "Waar zal ik me nu verstoppen?" dacht hij, terwijl hij rondkeek. Wat verderop stond een boom. Daar klom hij in en wachtte.

Hij zat er nog maar enkele tellen, of er klonk duidelijk geklak van paardevoeten. "Dat zal de Sint op zijn schimmel zijn," dacht Toets. En jawel hoor, even later zag hij het paard met de Sint erop. Vr en achter het paard liepen de knechten. Ze droegen in hun armen stapels cadeautjes. En van de knechten liep vlak langs het schoentje van Toets. Het was natuurlijk wel een erg klein schoentje. Maar toch zag Piet het. "Kijk nu eens, Sint!" riep Piet. "Welk klein jongetje zal dit schoentje hier gezet hebben? Dat is vast een jongetje geweest, dat geen huis heeft. Anders had hij het toch bij de schoorsteen gezet?" De Sint bekeek het schoentje. Dat zag en hoorde Toets allemaal vanuit de boom. "Dit schoentje is van een kabouterjongen," sprak de Sint. "We moeten hem ook een verrassing geven. Wat zullen we erin doen? Wat denk je, Piet?" Piet stond te denken. "Een trein," zei hij toen. "Een trein, die vanzelf rijdt. Weet u wel, Sint, we hebben er ook zo een. Als je op het rode knopje drukt, gaat hij rijden. Druk je op het groene, dan stopt hij." De Sint knikte, maar dacht toch nog even na. "Denk je dat dat een geschikt cadeautje is, Piet?" vroeg hij toen. "Natuurlijk, Sint," zei Piet. "Moet u luisteren. De kabouterjongen, die dit schoentje gezet heeft, is heel slim. Anders was hij nooit uit het bos naar de stad gekomen. Hij heeft gedacht: ik wil ook wel eens iets van die mensen-Sinterklaas hebben. Als hij dus zo slim is als ik denk, dan rijdt hij in deze speelgoedtrein, die u hem geeft, terug naar het bos." "Dat kaboutertje is slim, maar jij ook, Pieterbaas," lachte de Sint.

En toen gaf hij z'n knecht opdracht om de mooiste en grootste trein, die ze bij zich hadden, naast het kabouterschoentje neer te zetten. Tevreden reed de Sint weer verder. De knechten volgden hem. Nauwelijk was de Sint uit het gezich verdwenen, of Toets liet zich uit de boom zakken. Hij had alles gehoord en gezien. Ook van dat rode en groene knopje. Wat was Toets blij. Hij kon wel huilen en lachen tegelijk. Eerst liep hij een paar maal om de trein heen. Maar toen stapte hij in de locomotief en drukte op het rode knopje. "Toe-oe-oettttttt!" gilde de locomotief. De trein begon te rijden. Maar ineens dacht Toets aan zijn schoen. Die stond nog op het marktplein. Vlug drukte hij op het groene knopje. Een tel later stond de trein stil. Toets sprong eruit, ging de schoen ophalen en even later zat hij al weer in de trein. "Toe-oe-oettttttt!" gilde de locomotief weer. Toen stuurde Toets zijn trein naar het bos. Hij voelde zich als een koning zo rijk. En ik weet haast zeker, dat hij volgend jaar weer zijn schoen zet op het marktplein van de stad.

uit: "Alles in de wind" door Nelly Kunst

De ongelovige koning

Nog niet zo heel lang geleden niet zo ver hier vandaan woonde eens een koning. Zijn naam was koning Aldobert en naar hem was ook de hoofdstad genoemd. Aldoberta lag aan de zee en bij de duinen stond een hoge rood wit gestreepte vuurtoren om de schepen veilig naar de grote haven te loodsen. Koning Aldobert had vier dochters en drie zonen. Maar hij hield niet van fratsen en geldverspilling dus kregen ze geen kadootjes en was er nooit een feest in het land. Want dat kostte alleen maar geld. Ja, het was een mooi land maar erg vrolijk ging het er niet aan toe. Koning Aldobert had wel één ding waar hij niet van af wilde zien en dat was zijn dagelijkse ritje op zijn meest kostbare bezit: zijn rijpaard. Het was een prachtig zwart ros dat glansde als een meer in het maanlicht. En wat er ook gebeurde, of het regende of sneeuwde de koning maakte elke dag een ritje. Dan reed hij door het Koninklijke park en door de Koninklijke duinen en stalde zijn paard na afloop in de Koninklijke stallen. Op een dag kwam er een man aan de poort van het kasteel. Hij klopte aan en de poortwachter opende het luikje. Daar stond een vreemde meneer met een fel gekleurd pak aan. Hij droeg een groene pofbroek, een rode fluwelen korte jas en een grote witte kraag. Op zijn hoofd een grote blauwgekleurde pet met een gele veer. En de man was zo bruin als melkchocolade. ‘Dag meneer de poortwachter,’ zei de vreemde man, ‘Ik kom hier met een boodschap voor de koning. Wilt u mij binnen laten.’ ‘Wat voor boodschap is dat? Vroeg de poortwachter. ‘Een belangrijke brief voor de majesteit.’ ‘Nou kom maar binnen dan,’ zei de poortwachter en hij liet de vreemde man binnen. Hij werd bij koning Aldobert gebracht en die vond het ook maar een vreemde meneer. ‘Wat komt u doen, meneer,’ vroeg de koning. ‘Majesteit, ik breng u hier een brief van Sint Nicolaas uit Spanje. Het is heel goed nieuws.’ ‘de koning las de brief en vond het helemaal geen goed nieuws. Sint Nicolaas had zijn hoofdstad uitgekozen om dit jaar aan te komen uit Spanje. Dat betekende groot feest, slingers, muziek, kadootjes voor alle kinderen en honderden zwarte Pieten op de daken. En dat wilde Aldobert allemaal niet. Hij keek helemaal niet blij en zei: ‘Luister eens meneer. Ik geloof helemaal niet in die Sint Nicolaas van jou, hij bestaat helemaal niet en hij heeft ook geen grote zak met kadootjes voor alle kinderen. Die zwarte Pieten bestaan ook niet. En dat witte paard kan zeker niet over de daken lopen. Zo, en daarmee uit. Gaat u maar weer weg meneer, ik wil u niet meer zien.’ En zo moest de briefbrenger terug naar Spanje met slecht nieuws voor de Sint.

De volgende ochtend ging de staljongen naar de stal om het zwarte paard van de koning te zadelen voor het dagelijkse ritje van de koning. Hij kwam de stal binnen en kreeg de schrik van zijn leven. Alle vier de benen van het paard waren verdwenen. Het arme beest lag op zijn buik droevig te hinniken. De staljongen haastte zich naar de koning en die vroeg: ‘Staljongen wat kom jij hier doen, jij hoort in de stal en niet in mijn mooie zaal.’ ‘Majesteit er is iets vreselijks gebeurd, daarom kom ik zelf naar u toe,’ zei de jongen bibberend van angst. ‘Nou vertel op,’ zei de koning nors. ‘Majesteit, u kunt vandaag niet uit gaan rijden.’ ‘Natuurlijk wel, ik ben de koning en ik doe wat ik wil.’ ‘Maar majesteit, de benen van uw paard zijn verdwenen.’ ‘Wat zeg je daar, de benen van mijn paard verdwenen? Dat kan niet. ‘Komt u zelf maar kijken, majesteit, het is echt waar,’ zei de staljongen. De koning stapte naar de stal zo snel hij dat kon zonder te rennen (een koning rent natuurlijk nooit). En daar zag hij dat het waar was. Daar lag zijn lievelingspaard, zonder benen in het stro. De koning moest er bijna om huilen. Hij vroeg de wijze raadsheren om raad, liet de beste dokters er naar kijken. Niemand kon helpen. De benen waren gewoon verdwenen en het paard kon niet meer lopen. Het was uit met de dagelijkse fijne ritjes door het park en de duinen. Aldobert was helemaal uit zijn doen. Hij sliep slecht en had een rothumeur. Zelfs tegen de koningin deed hij lelijk. Wekenlang duurde het al en nog waren de benen niet weer aangegroeid. De koning was wanhopig.

Toen verscheen er weer een vreemde man bij de poort van het kasteel. Een heel oude man op een schimmel. Hij wilde de koning spreken over zijn paard. Aldobert vroeg aan de oude man met zijn lange witte baard wat er mis was met zijn zwarte hengst . De oude man zei: ‘Majesteit, als u gelooft in Sint Nicolaas en in zijn zwarte Pieten. Als u gelooft dat er voor alle kinderen kadootjes in de zak zitten en als u gelooft dat de schimmel over de daken kan lopen dan komen ook de benen weer terug.’ ‘Ik geloof het pas als ik het zelf zie,’ zei de koning. ‘Het zij zo,’ zei de oude man en hij reed weg op zijn schimmel. De volgende dag kwam de vuurtorenwachter melden dat er een heel grote stoomboot aankwam over zee en dat hij vol hing met slingers en dat er honderden zwarte Pieten op dansten. De koning wilde dat met eigen ogen zien en ging naar de haven, te voet nog wel. Daar kwam de stoomboot de haven binnen varen. Het schip legde aan en alle kinderen van de stad zongen uit volle borst ‘Zie ginds komt de stoomboot.’ De koning zong niet mee. Sinterklaas kwam aan land en ging naar de koning toe. Hij vroeg: ‘Dag majesteit, weet u wie ik ben?’‘Ja, u bent Sint Nicolaas, maar u bestaat niet,’ zei de koning. ‘Geef mij maar eens een hand,’ zei Sinterklaas, ‘dan zult u zien dat ik wel degelijk besta. Hij stak zijn hand uit en de koning stak ook voorzichtig zijn hand uit. Toen hij de heilige zijn hand schudde wist hij dat Sinterklaas wel degelijk bestaat. Op dat moment plopte er in de stal weer een been tevoorschijn aan het zwarte paard van de koning. Toen wenkte Sinterklaas de zwarte Piet die de zak van Sinterklaas droeg. Die zette de zak voor de Goedheiligman neer. ‘Kijk er maar eens in,’ zei Sinterklaas tegen Aldobert. Toen de koning in de zak keek zag hij duizenden en duizenden kadootjes. Grote, kleine, goedkope en dure, voor jongens en voor meisjes. Voor alle kinderen van het land. Toen geloofde hij dat het echt kon. Alle kadootjes in één zak. In de stal plopte weer een been tevoorschijn. Toen klapte Sint Nicolaas in zijn handen en honderden Pieten buitelden van de boot af, dansten, sprongen, klommen langs lantaarnpalen, regenpijpen en masten. Ze liepen over daken, sprongen op schoorstenen en verdwenen er in. Ze waren overal tegelijk en Aldobert dacht: ‘Die Pieten bestaan dus wel degelijk.’ Plop, ging het voor de derde keer. Daar bracht de HoofdPiet het paard van Sinterklaas van boord en gaf de teugels aan Sint. Die werd door drie Pieten in het zadel geholpen en toen sprong het paard vooruit en voordat de koning met zijn ogen kon knipperen sprong de schimmel over de daken en de stegen van zijn stad. Toen hij het zag geloofde hij. ‘Plop’ klonk het en het zwarte paard van de koning kon weer lopen. Het was zo blij dat het meteen naar de haven galoppeerde en vrolijk hinnikte toen het de koning zag. Die was zo blij dat hij Sint uitnodigde in zijn paleis. Naast elkaar reden ze door de stad. Een wit paard en een zwart paard.

Overal in het land werd een groot feest gevierd met muziek, slingers, snoepgoed en limonade. En voortaan werd dat elk jaar gedaan op de verjaardag van de Sint. En de grootste feestvierder was Aldobert de koning. En ook de prinsjes en prinsesjes kregen voortaan Sinterklaaskadootjes.

Frans Schobbe




© Sinterklaas is jarig...2002-2017